7.jpg

Joodse Omroep, 9 oktober: special over 'de RooieRebbe'

Uitgezonden op zondag 10 oktober 2010 - Radio 5


 

Documentaire over rabbijn Issachàr Tal van Kekem, ook bekend als de Rooie Rebbe, en zijn opmerkelijke Open Joodse Gemeente Klal Israël. Iedereen mag tot deze gemeente in Delft toetreden, van hetero- tot homoseksueel, van atheïst tot orthodox en‘vaderjood’, mits hij of zij een sterke band voelt met het jodendom en het Joodse volk. In deze documentaire licht rabbijn Tal van Kekem zijn standpunten toe. Mensen om hem heen vullen het beeld aan de man wiens strijd voor zijn open gemeente vaak tegen het zere been is van de traditionelere Joodse organisaties. Ook voert Tal van Kekem strijd tegen de PVV en Geert Wilders. Tegen de achtergrond van de huidige perikelen in Den-Haag zal Tal van Kekem ook dat onderwerp niet schuwen. Als waarschuwing tegen een nationalistisch Nederland schreef de rabbijn de roman Nieuwe laarzen voor de leeuw.

Samenstelling en presentatie: Pamela Sturhoofd

 

 Rabbijn Tal van Kekem verzendt vrijwel dagelijks mails naar zijn achterban, zoals ook dit verhaal over Jom Kipoer.

Het was de avond van Jom Kipoer. Een ademloze stilte viel over de gemeente, terwijl alle ogen gericht waren op de figuur van hun geëerde Baäl Sjem Tov. Daar stond hij, in zijn witte kittel en omhuld in de talliet, die zijn gebogen hoofd bedekte. Terwijl iedereen wachtte totdat de Baäl Sjem Tov zichzelf op het heilige gebed van Kol Nidre had voorbereid, zagen degenen die dichtbij hem stonden dat er een schaduw over zijn gezicht viel, maar niemand durfde vragen wat er aan de hand was.

Het was alle aanwezigen duidelijk dat een groot verdriet van zijn gezicht viel af te lezen, toen zij het ontroerende Kol Nidre-gebed zeiden. Tijdens een korte pauze tussen kol nidre en maäriev raakte de Baäl Sjem Tov opnieuw in gedachten verzonken. Plotseling lichtte zijn gezicht op door een glimlach, en aangezien hij had gevraagd met maäriev te beginnen, voelden de aanwezigen zich opgelucht, al begrepen zij niet waarom. Zij kenden de reden van het eerdere verdriet van hun geliefde rabbijn niet en begrepen ook niet waarom hij nu glimlachte. Wat ze wel wisten, was dat wat het ook was dat hun vereerde leider getroffen had, ook ieder van hen diep trof. Aan het eind van Jom Kipoer vertelde de Baäl Sjem Tov zijn volgelingen het volgende verhaal.

* * *

Mijn vrienden, ik ga jullie vertellen wat mij gisteravond tijdens het davvenen zo diep getroffen heeft. Het verhaal gaat over een Joods herbergier in een dorp hier niet ver vandaan. De herbergier was een eerlijk mens en een orthodoxe Jood, die de landheer, een Poolse edelman, zeer vereerde en behandelde als een persoonlijk vriend. Plotseling, zonder enige waarschuwing van een ziekte, overleed de herbergier, met achterlating van een jonge weduwe een jongen die nog een baby was. De arme weduwe werd zozeer getroffen door het verlies, dat ook zij niet lang daarna overleed.

De Poolse edelman was zeer ondersteboven van wat er met zijn vriend de herbergier was gebeurd en toen ook de weduwe overleed, voelde hij het als zijn plicht om de baby in huis te nemen en te zorgen voor de hulpeloze wees. De vriendelijke man gaf het kind zijn beste zorg; hij voedde het op of het zijn eigen zoon was.

De jaren gingen voorbij en het kind wist niet dat hij in werkelijkheid niet de echte zoon was van de christelijke edelman. Op een dag echter had de edelman vrienden uitgenodigd in zijn landhuis en terwijl de kinderen van de gasten in de tuin speelden, noemde één van hen in de loop van een ruzie de zoon van de edelman een Jood. De jongen rende onmiddellijk huilend naar zijn vader en vroeg of het echt waar was, dat hij een Jood was?

“Mijn lieve jongen”, zei de vader vriendelijk, “je weet hoeveel ik van je houd en dat ik je altijd heb behandeld als mijn eigen zoon. Wanneer ik overlijd, zul jij mijn erfgenaam zijn; jou laat ik alles na, mijn landhuis, mijn boomgaarden en mijn bossen. Wat kan ik nog meer voor je doen?”

“Dus ik ben niet uw echte zoon! Dus ik ben een Jood en u heeft mij dat nooit verteld,” barstte de jongen in huilen uit. „Wie waren mijn ouders? Ik moet het weten, alstublieft!”

De edelman sloeg zijn armen om de schouders van de jongen en trachtte hem te troosten. “Mijn jongen, je kunt trots zijn op je ouders. Het waren echt fijne mensen, goede godvrezende Joden. Je vader was mijn vriend. Het was om hem dat ik als het mijn plicht voelde om jou in huis te nemen en je op te voeden alsof je mijn eigen zoon was. Zoals je weet heb ik verder zelf geen kinderen en ik houd vreselijk veel van je.”

Beetje bij beetje kreeg de jongen het hele verhaal over zijn eigen Joodse ouders te horen. De edelman vertelde dat zij niets hadden gehad om hem na te laten, behalve een klein pakje, dat hij altijd op een veilige plaats had bewaard, in afwachting tot het juiste moment waarop hij het zou geven. Dat moment was nu aangebroken, dus ging hij het pakje halen. Met trillende handen en kloppend hart maakte de jongen het pakje open. Er zat een oud, zwart zakje in met vreemde gouden letters erop. De jongen maakte het zakje open en haalde er een witte wollen sjaal uit; verder zat er iets in dat leek op twee kleine zwarte doosjes, met daaromheen zwart-leren riemen gewikkeld, en een boek. De jongen wist natuurlijk niet dat het talliet en tefilien waren, noch kon hij begrijpen wat er geschreven stond in het dikke boek, dat een machzor was. Maar omdat deze kostbare dingen eens zijn ouders hadden toebehoord, die hij nooit had gekend, zou hij ze als een schat bewaren, zijn leven lang!

Door een toeval moest de edelman op zakenreis en dat gaf de jongen gelegenheid om in alle rust na te denken. Hij maakte lange wandelingen door de bossen en bracht vele uren door met nadenken. Hij realiseerde zich dat hij veel van de edelman hield en was hem dankbaar, maar toch – een vreemd gevoel overviel hem, dat hem dwong iets nader te weten te komen over zijn Joodse broeders. Hij wist dat sommigen van op het landgoed van zijn 'vader' woonden. Hij zou naar ze toegaan en met ze praten. Misschien dat sommigen zich zelfs zijn ouders zouden herinneren!

Die nacht droomde hij dat zijn ouders hem tegemoet kwamen, eerst zijn vader, daarna zijn moeder. Zij zeiden dat hij nu geen kind meer was. Hij moest nu weten dat hij een Jood was en teruggaan naar het Joodse volk waar hij thuishoorde.

De volgende dag sloop hij heel vroeg het huis uit, zodat de bedienden hem niet zouden opmerken en tegenhouden of vragen wat hij ging doen. Hij liep net zolang totdat hij in het volgende dorp kwam, waar hij een aantal Joden zag die bundels samenpakten en op een kar laadden. “Een goede dag voor jullie allen”, groette hij, “gaan jullie naar een markt?” “Nee, dit keer niet”, zeiden zij, “het zal spoedig Jom Kipoer zijn, onze heilige feestdag, dus gaan wij met onze familie naar de dichtstbijzijnde grote stad, zodat wij tenminste op deze heilige dag in de synagoge kunnen bidden, samen met andere Joden.”

Verloren in gedachten keerde de jongen terug naar huis. Waarom had hij het geschenk van zijn ouders niet meegenomen om aan die Joden te laten zien? Zij hadden hem kunnen vertellen waarvoor de voorwerpen waren bedoeld. Die gedachte liet hem niet met rust. En ook, wat was Jom Kipoer?

Een paar dagen gingen voorbij en de edelman was nog niet teruggekeerd. De jongen besloot dat hij oud genoeg was om zijn eigen plannen te maken over de dingen die zijn toekomst zouden bepalen. Hij was een Jood en zou teruggaan naar zijn volk! Dus pakte hij wat kleren in, nam wat voedsel, liet een briefje achter voor zijn 'vader', waarin hij opschreef waar hij heenging, en hij ging op weg naar de stad waarvan die Joden uit het dorp hadden gezegd dat zij er naartoe gingen.

Na verscheidene afmattende dagen van reizen, af en toe met een 'lift', maar meestal lopend, bereikte hij de plaats van bestemming. Hij zocht de sjoel en kwam precies op tijd om de klagende indringende klanken van de Kol Nidre-dienst te horen die daar gezongen werden. Snel glipte de jongen naar binnen en hij nam plaats bij de deur. Wat hij zag, vervulde hem met ontzag. Hij keek in het rond, en zie, allemaal Joden van alle leeftijden, die daar stonden te bidden met heel hun hart, sommige met tranen in de ogen. Hij voelde een brok in zijn keel komen. Stilletjes nam hij zijn witte sjaal en drapeerde die om zijn schouders. Hij nam het boek uit de zak en probeerde het net zo vast te houden als de anderen. Maar toen hij het opende, kon hij het niet lezen en hij begreep de woorden niet. Zijn jonge lichaam schokte van het huilen. De tranen stroomden over zijn wangen en de jongen riep: „O, God! U weet dat ik niet kan lezen, en niet weet wat ik moet zeggen of hoe ik moet bidden. Ik ben maar een verloren Joodse jongen! Hier is het hele gebedenboek! Alstublieft, God, haal er de juiste woorden uit zodat zij voor mij gebeden worden!”

De wanhoop van deze Joodse jongen bereikte het hemelse hooggerechtshof en de poorten zwaaiden wijd open voor zijn gebeden. En samen met zijn simpele gebed werden ook onze gebeden geaccepteerd.


* * *

Toen de Baäl Sjem Tov dit ontroerende verhaal had verteld, stonden er tranen in de ogen van alle toehoorders. En vaak, als zij davvenden, moesten zij denken aan dit vreemde verhaal van die Joodse jongen die zo lang verloren was geweest. Dan dachten zij bij zichzelf dat ook zij vaak verloren zielen waren geweest, die niet wisten hoe zij moesten davvenen zoals het hoort. En allen hoopten eerlijk, net zoals de jongen, dat de goede en genadige God in de hoogte hun gebeden zou aanvaarden en iedereen een werkelijk gelukkig nieuw jaar zou gunnen. Want het belangrijkste van het gebed is tenslotte de ernst en toewijding tot God, uit het hart.

Baäl Sjem Tov: Stichter van de chassidische beweging (ca. 1700-1760)
Davvenen: bidden
Jom Kipoer: Grote Verzoendag, de dag waarop Joden hun zonden belijden en om vergiffenis smeken ten overstaan van God.
Kittel: Hebreeuws tachrichien, doodshemd, in de vorm van een badjas, van gladde witte stof
Kol Nidre: al mijn geloften, een juridische formule in het Aramees, waarmee voor aanvang van de dienst op Grote Verzoendag alle geloften van de mens aan God ongeldig worden verklaard. Dit is bedoeld om allerlei onwenselijke geloften tegen te gaan die in vurige geloofsijver of uit angst zijn afgelegd.
Maäriev: avonddienst
Machzor: gebedenboek voor de feestdagen
Talliet: gebedskleed
Tefilien: gebedsriemen

 

Copyright © 2018 Klal Israël. Alle rechten voorbehouden.
Joomla! is Free Software vrijgegeven onder de GNU General Public License.
Live tracking and statistics
Joomla 1.6 Templates designed by Joomla Hosting Reviews